Slechtvalk Hilvarenbeek

Mei 2014

Door Peer Busink.

 

Sinds vorig jaar scheren boven het Beekse en rond de kerktoren vogels langs met krachtig gebouwde lichamen en sikkelvormige vleugels met een span-wijdte van omstreeks

een meter. Soms begeleid met een luide scherpe staccato roep, die de mensen dwingt om omhoog te kijken. Een paartje slechtvalken heeft na 5 jaar voor het eerst gebruik gemaakt van de nestkast die in 2008 op de torenomgang is geplaatst. De reden voor plaatsing was, dat de kerktoren (een beschermd monument) last had van de uitwerpselen van veel duiven en kauwen. Jaarlijks werd door de gemeente een jager ingehuurd die tegen betaling met een zware luchtbuks in het donker de duiven op hun slaapplaatsen trachtte neer te schieten. Dit met onbevredigend succes. Aan de gemeente werd de suggestie gedaan dat "iemand anders" deze klus voor niets zou willen doen en waarschijnlijk met een veel groter succes. Voor deze taak werd de Slechtvalk als sollicitant voorgesteld. In die tijd broedde op het Westpointgebouw in Tilburg al enkele jaren achtereen slechtvalken, die elk jaar jongen grootbrachten. Na ca. 3 jaar worden die jongen geslachtsrijp en dan zullen ze ergens een eigen territorium moeten gaan claimen, Waarom dan niet in de kast van de Beekse kerktoren, hemelsbreed op ca. 10 km afstand. Een ideale afstand voor een nieuw territorium. De gemeente had hier wel oren naar om de pro-deo jager woonruimte aan te bieden en niet onbelangrijk, dat deze aangepaste woning, te weten een solide en robuuste nestkast, gratis door de werkgroep ter beschikking werd gesteld. In 2013 , vijf jaar na plaatsing, werd regelmatig een paartje slechtvalken bij de kerk gezien, in het voorjaar werd zelfs prooi-overgave van het mannetje aan het vrouwtje bij de kast waargenomen. Bingo, dit ultieme gedrag in een territorium en in het voorjaar moet wel duiden op een broedsel. Bij controle tijdens de kermisdagen vorig jaar bleek de kast echter leeg te zijn. Wel bindingsdrang en paarvorming, maar geen nakomelingen als resultaat. Waarschijnlijk was het vrouwtje nog te jong om een broedsel te produceren. Maar duidelijk was wel dat het paartje zich in het Beekse had gevestigd. Dit werd nog duidelijker omdat aan het eind van afgelopen winter een tweede slechtvalkmannetje onder luid gekekker uit het territorium werd weggebonjourd.

Dit jaar heeft het paartje succesvol in de nestkast op de Beekse kerktoren gebroed. Tijdens de afgelopen kermis zijn 3 jongen uitgevlogen, twee mannetjes en een vrouwtje. Terugrekenend was de eileg op ca. 5 maart begonnen en dat is vrij vroeg. De gemiddelde eileg begint normaliter omstreeks half maart.

Sinds begin augustus 2013 bezoek ik regelmatig de kerktoren om prooiresten te determineren en deze op te ruimen. Inmiddels gaat het om meer dan 100 resten van o.a. postduiven, houtduiven, sierduiven, stadsduiven, spreeuwen, roeken, kauwen, eenden. Opvallende prooien waren dit jaar 2 bonte spechten, 1 ijsvogel, 1 kievit en in juni opvallend veel pas uitgevlogen spreeuwen. Vorig jaar waren 2 grutto's als meest bijzondere slachtoffers te noteren. Het op naam brengen van de prooiresten gebeurt voornamelijk door verzamelen van losse veren. Aan kale karkassen zijn vaak moeilijk aanknopingspunten te vinden voor een juiste determinatie. Postduiven vormen hierop een uitzondering, want die hebben ringen aan hun poten. Door verschil in grootte en gewicht vangt het mannetje in de regel kleinere prooien dan het vrouwtje. Het vrouwtje heeft ca. een derde meer volume dan het mannetje. Het verschil in lichaamsgrootte is een evolutionaire aanpassing bij alle vogel etende roofvogels. In hetzelfde gebied zijn ze dan minder voedselconcurrenten van elkaar.

De kraaien, duiven en die grutto's zullen dan waarschijnlijk meer het werk zijn geweest van het vrouwtje en de spreeuwen, merel, bonte spechten van het mannetje.

Onderzoek heeft uitgewezen dat slechtvalken in een straal van ca. 3 à 4 kilometer rondom hun nestplaats jagen en dat daarin groepen vliegende postduiven weinig te vrezen lijken te hebben. Verdwaalde en onervaren postduiven echter des te meer. Uit de gevonden duivenringen op de kerktoren lijkt deze stelling bevestigd te worden.

Aan de gevonden duivenringen kan men de leeftijd van een duif aflezen en de plaats van herkomst door het unieke ringnummer te traceren. Uit deze gegevens kan worden afgeleid dat vooral eerstejaars postduiven als prooi werden geslagen en dat de postduiven voor een kleiner deel dan werd verwacht uit de regio van Hilvarenbeek, Oisterwijk, Oirschot kwamen. Het overgrote deel kwam 'overal' vandaan.

In de maanden mei/juni werden door mij meer duivenringen verzameld. Begrijpelijk, want de opgroeiende jongen moeten gevoed worden en een bout ter grootte van een duif heeft hiervoor het ideale gewicht.

Dat slechtvalken ook postduiven op het menu hebben staan, blijft een heikel punt. Wanneer postduiven niet terugkeren op hun hok en het is bekend dat een slechtvalkenpaar in de buurt zit, dan is de conclusie gauw getrokken. Postduiven die binnen het territorium van een Slechtvalk hun thuis hebben, lopen nauwelijks gevaar als prooi te eindigen, blijkt uit onderzoek. Het niet terugkomen van een postduif op het hok kan velerlei oorzaken hebben, zoals verdwalen, ten prooi vallen aan haviken, elektriciteitsdraden, slecht weer, enz. Het is inherent aan het feit dat duiven vrij vliegen. Op hun wedvluchten van vele honderden kilometers komen ze iedere keer langs vele tientallen roofvogels. Een duif die onderweg ten prooi valt, zal toch al een 'loser' zijn, want roofvogels schatten hun kansen zodanig in, dat ze de makkelijkste (zwakste) prooi uitkiezen.

Onder de prooiresten die ik in 13 maanden tijd op de kerktoren heb verzameld, bevonden zich 54 postduifringen. Op de kaart op de volgende pagina is te zien dat postduiven uit de "gekste" plaatsen afkomstig waren.

De "verste weg" was 143 km uit zuidelijk België, tegen de Franse grens aan en 142 km in noordelijke richting uit Zwolle.

De lijnen richting zuidwest – noordoost zijn op de kaart meer vertegenwoordigd, hetgeen kan wijzen op het vooral lossen van wedstrijdduiven in Frankrijk, die dan o.a. Hilvarenbeek moeten passeren.

Het "afstandsdiagram" bevestigt ook dat de verdeling naar afkomst tamelijk divers is.

De egaal blauwe staven op de horizontale as is verdeeld in afstandsblokken van 10 km. Weliswaar dat er op grotere afstand minder geslagen postduiven zijn, maar door het onregelmatig patroon is dit beslist niet evenredig.

Om te zien in welke mate postduiven uit de directe omgeving ten prooi vallen, geeft de eerste staaf op de horizontale as enig inzicht. Deze staaf geeft de cirkel met een straal van 1 km rondom de kerk weer. Uit dit gebied was 18% van het totaal afkomstig (zie diagram).

Begrijpelijk is dat postduiven die een Slechtvalk als directe buur hebben, meer geconfronteerd worden met deze vogel.

Toch is het aantal dat in dit gebied ten prooi valt niet opvallend groter dan op grotere afstanden.

Uit het 'leeftijdsdiagram' is duidelijk af te lezen dat postduiven van het eerste kalenderjaar (het jaar van hun geboorte) het meeste risico lopen om geslagen te worden. Aannemelijk is dat deze jonge dieren nog te onervaren zijn om gevaar en onveiligheid te in te schatten.

In ieder geval blijken de stadsduiven en kauwen rondom de kerk die ervarenheid wel te kennen. Die hebben inmiddels eieren voor hun geld gekozen en zijn uitgeweken naar een ander domicilie.

Dat was ook de bedoeling, kosteloos en efficiënt.