natuurgebieden

 

 

 

 

 

 

Door Wiel Poelmans

In het werkgebied van de Vogelwerkgroep Midden-Brabant liggen diverse unieke natuurgebieden van internationale betekenis.....

 De Loonse en Drunense Duinen liggen grofweg tussen Waalwijk, Kaatsheuvel, Loon op Zand, Helvoirt en Drunen. Het grootste deel van het gebied is in bezit van Natuurmonumenten. In 1931 had deze vereniging al 1400 ha bos, heide en stuifzand gekocht (Verschuren et al.1996). Nadien is daar nog meer dan 1000 ha bijgekomen. Het vormt samen met De Brand één van de drie Noord-Brabantse nationale parken. Het gebied is tevens aangewezen als Natura 2000-gebied. Dit zijn gebieden die bescherming genieten via de Europese Vogel- en/of Habitatrichtlijn vanwege de aanwezigheid van internationaal bedreigde natuurwaarden.

 

Het meest opvallende en bekende deel van de Loonse en Drunense Duinen is het centrale stuifzandcomplex. Het open deel heeft een oppervlakte van ongeveer 320 ha. Hier zijn tevens begroeiingen van Buntgras en mossen en korstmossen, als ook droge heide aanwezig. Ongeveer 170 ha is actief stuifzand op dit moment (Arens et al. 2006). Het grootste deel van het gebied bestaat uit Grove dennenbossen met veel Bochtige smele, Pijpenstrootje en soms Struikheide. Het grote stuifzanddeel wordt aan de noord- en zuidkant begrensd door zg. randwallen. Deze randwallen zijn waarschijnlijk gevormd doordat stuivend zand werd ingevangen door de aanwezige begroeiing. Op deze wallen staan veel eiken, waarvan sommige grotendeels zijn ondergestoven. Sommige zouden meer als 500 jaar oud zijn.  

Stuifzanden zijn niet alleen aardkundig waardevol. Ze herbergen ook een aantal karakteristieke planten en dieren. Dit is ook de reden dat op een paar plaatsen wordt getracht dit unieke stuifzandlandschap te herstellen door aangeplante bossen te verwijderen.

 

Ontstaan van de Loonse en Drunense Duinen

 

Tijdens de laatste ijstijd, 10.000-13.000 jaar geleden, is Noord-Brabant bedekt geraakt met een laag dekzand. Er zijn een aantal dekzandruggen opgestoven die van zuidwest naar noordoost lopen. De hoogste van Midden-Brabant loopt van Loon op Zand naar Cromvoirt. Hierop zijn de Loonsche en Drunensche Duinen gelegen, zoals ze officieel heten. Nadat het warmer werd ontstonden er op de drogere delen van uitgestrekte bossen. In het begin bestond het bos vooral uit berken, later opgevolgd door dennen. Uiteindelijk domineerde gemengd eikenbos het landschap. In de lagere delen van de provincie waren laag- en hoogvenen gelegen. Het ontstaan van het stuifzandlandschap is het gevolg menselijke activiteiten. De bossen werden geleidelijk gekapt of afgebrand en omgezet in landbouwgrond of heide. Overexploitatie van de heide leidde tot het ontstaan van veel stuifzanden in Noord-Brabant. Dit vond al plaats vanaf de 12e en 13e eeuw. Schattingen van het areaal stuifzand komen op circa 30.000 ha voor deze provincie. Veel stuifzanden konden na de opkomst van het gebruik van kunstmest alsnog worden ontgonnen. Resterende delen kregen veelal te maken met aanplant van naaldhout. Er is nu minder dan 1000 ha van over, verdeelt over een klein aantal gebieden.

 

De eerste vermelding van stuivend zand in het gebied de Loonse en Drunense Duinen stamt uit 1368. Er was sprake in historische stukken sprake van ‘het zand van Loen’. Verondersteld wordt dat het om de vlakte bij Venloon (het huidige Loon op Zand) zou gaan (Overlegorgaan Loonse en Drunense Duinen 2001). In 1391 raakte het dorp naar men zegt totaal overstoven door zand waardoor men genoodzaakt was verderop te gaan wonen. Dit is tevens de verklaring van de geïsoleerde ligging van oude kerkfundamenten noordelijk van Loon op Zand (Jungerius et al. 2004).

Stuifzanden zijn in onze contreien geen natuurlijke landschappen. Ze groeien door successie langzaam dicht. Als er niet wordt ingegrepen ontstaan er geleidelijk mos- en kortsmosvegetaties en vegetaties met Buntgras, Zandzegge Struikheide, uiteindelijk gevolgd door eiken-berkenbos. Door depositie van meststoffen uit de lucht raken stuifzanden sneller begroeid als voorheen.

 

Natuurwaarden van de Loonse en Drunense Duinen

 

Er kan grofweg een onderscheid gemaakt worden in de natuurwaarden van de bossen en die van de stuifzanden met de bijbehorende successiestadia. Vooral de stuifzanden maken het gebied bijzonder en zijn aanleiding geweest voor de status van Natura 2000-gebied.

Stuifzanden zijn uitermate voedselarm waardoor er maar een beperkt aantal hogere planten voorkomen. De (micro)klimaatomstandigheden in stuifzanden zijn het meest extreem van alle Nederlandse natuurtypen. Ze worden dan ook niet voor niets de ‘Atlantsche woestijnen’ genoemd. Er zijn niet veel organismen die onder deze uitzonderlijke omstandigheden goed gedijen. Het zal niet verwonderlijk zijn dat, gezien de afname van het areaal stuifzand in Nederland en West-Europa, veel van deze soorten sterk bedreigd zijn. Een aantal karakteristieke soorten is zelfs al verdwenen. De belangrijkste waarden van stuifzanden zijn te vinden in de pionierbegroeiingen met veel korstmossen. Deze zijn echter in de Loonse en Drunense Duinen nauwelijks en slechts beperkt ontwikkeld aanwezig. Dit houdt verband met de hoge depositie van meststoffen uit de lucht en de hoge mate van betreding waardoor deze vegetaties worden vernield. De huidige waarden van dit gebied moet dan ook vooral gezocht worden in de fauna. De Nachtzwaluw neemt weer toe. In 2007, het jaar van de Nachtzwaluw, lag het aantal territoria op 17. Andere soorten die het relatief goed doen zijn de Boomleeuwerik en de Roodborsttapuit. Helaas zijn er ook een aantal soorten verdwenen zoals de Duinpieper (na 1986 geen broedgevallen meer), Korhoen (in 1995 nog één baltsende haan) en Tapuit (1992 broedpaar waarvan het nest werd uitgegraven door een loslopende hond). Hoewel er nooit broedende Klapeksters zijn gevonden, was het gebied er in het verleden bijzonder geschikt voor. Geruchten over broedgevallen in 1991 en’93 kwamen van een erkend fantast en kunnen als onbetrouwbaar worden bestempeld. Klapeksters zijn wel elke winter in het gebied aanwezig, soms tot ver in mei.

Met enige regelmaat zijn er in het recente verleden jonge Dassen losgelaten. Het waren dieren uit de opvang van jongen van doodgereden ouders. Dit heeft geleid tot kleine maar zich uitbreidende populatie van de Das in de omgeving van de duinen. Verhalen over een populatie Boommarter op Huis ter Heide en de Loonse en Drunense Duinen zijn inmiddels ook naar het rijk der fabelen verwezen. De krabsporen op bomen waarop de veronderstelling was gebaseerd, bleken van eekhoorns afkomstig te zijn!

Van de reptielen komt alleen de Levendbarende hagedis in het gebied voor. De duinen bieden weinig voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën. De Heikikker komt nog in kleine aantallen voor in uitgestoven, natte laagten. Uit onderzoek kwam naar voren dat er voorjaarstrek is van Heikikker, Kamsalamander. Kleine watersalamander en gewonere soorten dan Bruine kikker en Gewone pad van de duinen naar voortplantingswateren in De Brand. De duinen fungeren zeer waarschijnlijk als overwinteringsplaats voor deze soorten.

Stuifzanden staan bekend om hun bijzondere insecten. Dat geldt zeker ook voor de Loonse en Drunense Duinen. Het gebied herbergt één van de grootste populaties van West-Europa van de zeldzame Veldkrekel. Ook de schaarse Blauwvleugelsprinkhaan kan in de zomer worden aangetroffen. Karakteristieke vlinders van de open delen komen nog in redelijke aantallen voor zoals Heivlinder en Heideblauwtje. Opvallend is het ontbreken van waarnemingen de Kleine heidevlinder. De soort was in het verleden wel van enkele andere terreinen in Noord-Brabant bekend. Mogelijk is deze relatief onopvallende vlinder over het hoofd gezien door de vroegere vlinderaars vanwege de late vliegtijd in de nazomer. Stuifzanden zijn, hoe kan het ook anders, in trek bij een aantal soorten zandloopkevers. De duinen zijn van belang voor de bedreigde Strandzandloopkever en Boszandloopkever. Bekender en algemener is de Groene zandloopkever. Sommige hebben echter niet eens een Nederlandse naam zoals Amara infirma en Cymindis macularis (Arens et al. 2006).

Droge bossen zijn in Noord-Brabant veel talrijker vertegenwoordigd dan stuifzanden. Meestal zijn het aanplanten van dennen, lariks of sparren. De natuurwaarden van dit soort bossen zijn vaak vrij beperkt, vooral als exoten als Douglasspar of Zwarte den zijn aangeplant. Grove dennenbos is in de Loonse en Drunense Duinen in ruime mate voorhanden. In enkele delen als Westloon komt wat ouder bos voor, wat bijdraagt aan een rijkere vogelstand. Ook de aanwezigheid van oude lanen in dennenbossen hebben een positief effect op de vogelbevolking. Hier zijn tegenwoordig vaak Boomklevers en Kleine bonte spechten te vinden. Er zijn geen recente broedvogelinventarisaties voorhanden van het gebied. Wel zijn er eind jaren zeventig tellingen uitgevoerd (Verschuren et al. 1996). De bossen en bosranden zijn nog steeds goed voor Zwarte en Groene specht. Ook Havik, Sperwer, Buizerd en Bosuil bezetten diverse territoria. Minder goed vergaat het tegenwoordig de Boomvalk. Het aantal broedparen loopt in heel Nederland alsook in de duinen gestaag terug. Het is niet helemaal duidelijk of de Wespendief  in het  gebied broedt. Bekend is dat broedvogels uit De Brand de Loonse en Drunense Duinen bezoeken op zoek naar wespenbroed. Enkele jaren geleden werd echter in het noordwestelijk deel van het gebied een baltsend paar waargenomen. Broeden in de oudere bossen van het gebied is dan ook zeker niet uit te sluiten, al zal hier de hoge dichtheid van deze soort in De Brand niet worden gehaald.

 

De toekomst van de Loonse en Drunense Duinen 

 

Op papier ziet de toekomst van de Loonse en Drunense Duinen er rooskleurig uit. Het gebied is onderdeel van de ecologische hoofdstructuur en nationaal park en Natura 2000-gebied. Er wordt inmiddels volop gewerkt aan herstel en uitbreiding van het unieke stuifzandlandschap door Natuurmonumenten. Toch zijn er nog een aantal zaken op te lossen in het gebied. En dat zijn niet de minste. Op de eerste plaats is er de bemesting vanuit de lucht door depositie van ammoniak. Hierdoor raken ecologische processen ontregeld waardoor karakteristieke soorten verdwijnen. Een oplossing kan alleen worden bereikt door het terugdringen van ammoniakemissies uit met name de intensieve veehouderij. Hiervoor zijn generieke maatregelen nodig op nationaal en internationaal niveau. Hiervoor is nog steeds nauwelijks draagvlak bij de politiek en landbouw.

 

Een ander probleem is de enorme recreatiedruk vanuit de horecavoorzieningen. Op sommige dagen bezoeken meer dan 25.000 mensen de duinen, vaak met loslopende honden. Dit heeft een enorme impact op het gebied. Grote delen van het open gebied zijn niet meer geschikt voor grondbroeders als Nachtzwaluw en Boomleeuwerik. Ook bijzonder korstmosvegetaties worden kapot gelopen. Dit kan alleen opgelost worden met een zonering van de recreatiedruk. Men zou een voorbeeld kunnen nemen aan het Nationaal Park De Hoge Kempen bij Genk. Hier is wijs nagedacht over de recreatiezonering. De toegangspoorten zijn gesitueerd in de omliggende dorpen van waaruit bezoekers via fiets- en wandelpaden het park kunnen bezoeken. Deze toegangspoorten liggen daardoor meestal op enkele kilometers van de natuurkern. Hier zijn ook de horecabedrijven gevestigd en zijn er mogelijkheden voor verblijfsrecreatie. Op deze manier heeft niet alleen de economie van de regio een enorme boost gekregen, ook de natuurwaarden in de natuurkern zijn flink toegenomen. Daarnaast kon tevens het omliggende agrarische landschap flink hersteld worden. Mede hierdoor zagen boeren die meededen met de ‘verbrede’ landbouwpraktijk hun inkomsten flink stijgen. De directeur van dit nationaal park heeft voor zijn aanpak van de recreatiezonering de ‘groene Nobelprijs’ mogen ontvangen.

Voor beide hete hangijzers zullen in het op te stellen natura 2000-beheerplan oplossingen geformuleerd moeten worden. Het ammoniakdossier leidt tot nationale hoofdpijn op het ministerie van LNV. Hoewel de horecaondernemers aan de rand van de duinen sterk profiteren van het gebied, zijn ze nauwelijks bereid te mee te denken over oplossingen van het recreatieprobleem.

Over een half jaar als het beheerplan af zal zijn, weten we of terugkeer van verloren gegane waarden tot de mogelijkheden behoren.

Wiel Poelmans 2009. 

 

Bijzondere soorten: Nachtzwaluw, boomleeuwerik, roodborsttapuit, kleine bonte specht, havik, sperwer, bosuil, wespendief, boomvalk. 

Wintertijd: klapekster