columns

 

 

 

 

 

 

 

Door Aad van Gelswijk      

 

 

 

 

 

Door Corine Goldschmidt

Corine Goldschmidt

April 2018

Over de gedroomde man van boven de rivieren

 

In augustus 2017, wierp ik, vanuit onze Oisterwijkse tuin, zoals gebruikelijk op weg naar de schuur, een blik op de Petrus kerk. Ik stond stil toen ik ‘m tegen de spits aan zag zitten, zag het direct. Het was bijna te mooi om waar te zijn en het was waar. Hij nam polshoogte op deze nog onbezette locatie van waaraf het goed speuren is naar de stroom, het Galgeven, Kerkhoven, Sparrendreef, Moergestels broek. Sinds die dag ben ik in de ban van deze snelste vogel ter wereld. Niet dat ik iets van die snelheid waar kan nemen. Al snel bleken het er twee te zijn en als ze ‘thuis’ zijn dan wordt er meestal uitgerust na wat vliegcapriolen rond de toren. Vaak komen ze aan het eind van de middag of tegen de schemering  (af en toe ook overdag), ze gebruiken de kerk als slaapplaats en als ik geluk heb, als ontbijtzaal. Dat ontdekte ik toen ik op een ochtend een onthoofde houtduif op de kerk zag liggen. Sindsdien heb ik vele uren het stel kunnen observeren en veel foto’s gemaakt. Daarop was op zeker moment een ring gedeeltelijk af te lezen. Peter van Geneijgen (van de werkgroep slechtvalken Nederland en grote rot in het vak) wist te vertellen dat het erom spande, afhankelijk van de laatste ringletter, of het een mannetje betrof uit Amsterdam, van de Zuidas. Dat hoopte ik vurig. Dat zou een band scheppen. Zelf geboren en getogen als Amsterdammer ging ik 26 jaar geleden de liefde achterna en belandde zodoende in de Kerkstraat, bij die Petruskerk. Hoe prachtig zou het zijn als die slechtvalk hetzelfde verhaal zou vertolken. Ik heb me een slag in de rondte gefotografeerd om die letters allemaal in beeld te krijgen. Dat valt echt nog niet mee. Of die ene poot staat net middenin de geplukte verenbende van een prooi die wordt verschalkt, of hij zit precies achter een luikje, achter een stuk ijzer, net onder het randje van die dakgoot of ik had ‘m eindelijk in beeld, helemaal, maar was het net iets te donker of te mistig  en was de letter niet leesbaar.

Ondertussen werd mij duidelijk dat het echtpaar vestigingsplannen had. Er werd in de herfst duidelijk aan paarbinding gedaan. In januari werd er gebaltst. De vrouw zat aan de dis, man op het uiterste puntje van hetzelfde torentje te kijken of het eten haar beviel. Heel traag, met de kop laag, schoof hij klauwtje voor klauwtje steeds iets dichterbij. Nadat ze hem iets toeschreeuwde mocht hij dan heel even een paar hapjes mee eten. Tot ze hem, schreeuwend en bijna dreigend, duidelijk maakte dat het mooi geweest was. En hij ging weer terug naar het puntje van de toren.

 Ik las Baker en Ratcliffe, vele publicaties online en filmpjes om de onderlinge communicatie te leren ‘lezen’ en duiden.

Hoor en zie je een slechtvalk roepen, zoek je het geluid op, staat er bij dat het de bedelroep is van het vrouwtje. De volgende dag zit de man prooi te eten, hoor ik van verderop die roep weer, blijkt het vrouwtje een eindje verderop te zitten. Het klopt dus, denk je dan; zij bedelt en ik herken nu die roep. De volgende dag zit het mannetje hetzelfde geluid te maken. Komt het vrouwtje aanvliegen, gaat een torentje verder hetzelfde roepje zitten te doen. Ja, zo leer ik het natuurlijk nooit! Totdat ik dieper de literatuur induik en lees dat van iedere roep de betekenis pas geduid kan worden als je de context erbij hebt. Dat is het ware werk, daar houd ik van.

Regelmatig sta ik op het Kerkplein en op het kerkhof, altijd met verrekijker, soms met telescoop en regelmatig met camera op statief, mijn blik op de kerk gericht. Meestal word ik aangesproken,  zelden vraagt iemand wat je ziet. De meeste mensen denken te weten waar je al die toeters en bellen voor bij je hebt. ‘Mooie kerk hè?’, ‘Komt u van ver? Toerist zeker?’ Maar het vaakst willen mensen hun kennis over architect Kuypers aan me kwijt. Waarbij vooral belangrijk wordt gevonden dat ik op de hoogte word gesteld van het feit dat Kuypers ook het Centraal station van Amsterdam heeft uitgedacht. Ik zou ze best willen vertellen wat er huist op de Zuidas. En wat voor verhaal daar wel niet aan vast zit, wie hier boven ons op een luikje zit. Maar men ratelt door en weet niet wat men mist. Ondertussen zie ik mijn droomman zijn veren poetsen, zijn klauwen afkauwen, de restjes bloed vaak nog op zijn borstkas, een restje vogelpoot steekt uit z’n snavel.

In april waren ze vertrokken, af en toe zat er overdag een paar uur eentje op de toren.

Ik dacht dat ze misschien in de buurt ergens anders toch een broedgeval zouden hebben. Maar middenin het seizoen keerden ze terug. Ofwel waren ze nog te jong of een broedpoging is mislukt. Zeker is dat ze er weer elke dag zijn en dat het dezelfde man en vrouw betreft. Het vrouwtje heeft geen kleurring, alleen een ring van een vogel trekstation, waarschijnlijk uit België.

En dan de man. Eindelijk had ik dan toch alle letters van zijn ring op de foto.

Mijn slechtvalkman is helemaal niet romantisch de rivieren overgestoken. Hij is in 2015 geringd in Loon op Zand. Ik kon een hele lichte teleurstelling niet onderdrukken maar die betreft alleen de stof voor mijn verhaal. Hij heeft mijn hart al gestolen en het is toch fantastisch mooi dat we weten waar hij vandaan komt.

Corine Goldschmidt

April 2018

Loyaliteitsconflict sperwer versus tortel

 

Wat een gezelligheid iedere morgen. Het Turkse tortel paartje voelt zich wel in hun territorium. We doen ons best voor een vogelvriendelijke tuin. Een boom, struiken, moestuin, wilde bloemen voor vlinders, bijen en hommels, een vijver vol leven. Mezen, een merel paar, roodborstjes, vinken, groenlingen, mussen, allemaal vaste bewoners, broedgevallen in de heg en onder dakranden incluis. Buiten de tuin ben ik bijna dagelijks tussen weilanden en in de bossen op zoek naar uilensporen, slechtvalk echtparen, baltsende sperwers en haviken, potentiële en bezette nesten, roepende jongen. Ik vind het allemaal even mooi en noodzakelijk om ter bescherming van al die soorten een kleine bijdrage te leveren aan hun aller inventarisatie. Bij de vondst van een ruiveer van een rover maakt mijn hart een sprongetje, prooirest onder een boom is altijd indrukwekkend want betekent dat hij of zij ‘Er is’ of ‘Is geweest’. Het zijn de puzzelstukken in een ieder seizoen weer spannende en onzekere speurtocht. De randen van de puzzel vormen het territorium, het herkennen van de roep of zang die de aanwezigheid maar ook balts en dus een op handen zijnde broedgeval kan verraden. De sperwer met prooi richting nest zien vliegen is een boodschap van nieuw leven, van een aanwezigheid van de soort, het zegt iets over broedsuccessen, over instandhouding van de soort en dat willen we toch? Ik wil niets liever dan dat al die vogels de verwoestende aanwezigheid van onze eigen soort kunnen trotseren, dat zij zullen overleven. Dat het ze lukt zich aan te passen aan oprukkende bebouwing, dat ze ‘het goed doen’.

Op een ochtend hoor ik ongekende herrie. Tientallen kauwen en meeuwen vliegen krijsend en laag boven onze tuin. Er moet een roofvogel in de buurt zijn,  de paniek is groot. Niets te zien in de lucht wat er op lijkt. Dan dwarrelen er witte, kleine veertjes onder de tuinpoort door.  Door het raam zie ik haar zitten op de aangrenzende parkeerplaats. Met wijd open gesperde pupillen kijkt ze om zich heen. Haar grote, bruine vleugels mantelend over een prooi waar ze met haar klauwen bovenop staat. Wat een kracht, wat een behendigheid tussen die tuinmuren, wat een lef. Ik ben een wat week type die het toch zielig vindt voor de prooi, al weet ik dat de sperwer vrouw moet eten en dat ze niet meer pakt dan ze nodig heeft. Ze vliegt op, er lopen misschien mensen langs die ik niet kan zien. Iets later zie ik haar over de tuin van de buren gaan, door de begroeiing van de bomen heen. Ik ga kijken of ik nog sporen vind. Een eindje verderop ligt de tortelduif. Die ligt op zijn rug in een plasje helderrood bloed. Waarom nou juist die? (En verloren in de vlucht maar later toch verdwenen). Ik betrap mezelf op een gevoel van teleurstelling die een paar dagen duurt omdat ik geen tortels meer zie in de tuin. Waar ik me in de bossen een detective voel van de natuur en het een goede zaak vind als ik een spoor en dus ook prooi vind, blijk ik onderscheid te maken met het leven in onze tuin waar ik graag een aan romantiek grenzend ongestoord samenzijn van alle vogelpaartjes zie. Een waar loyaliteitsconflict. Na vier dagen zitten er weer twee tortels in het voederhuisje. ‘Wel wat snel’,’ roepen we thuis, ‘na drie dagen al een ander.’ Alles voor de voortplanting. Misschien heeft een ander paartje het territorium ingenomen? Of was het dodelijk slachtoffer helemaal niet ‘onze tortel’? Als het dichtbij komt, in ons territorium, dan maken we al gauw onze eigen versie, afhankelijk van waar onze loyaliteit ligt, dat blijkt maar weer. 

Corine Goldschmidt

Januari 2018

Mijn jong

 

Twee zomers geleden zocht ik dagenlang naar een buizerdnest. Ik hielp een meer ervaren roofvogelaar om roofvogels in een bepaald gebied in kaart te brengen. Het baltsende paar hadden we al gezien maar hun nest nog niet gevonden. Wel een leeg buizerdnest. Op een dag zag en hoorde ik een adulte buizerd met twee jongen laag door dat gedeelte van het bos vliegen. Dat bracht me naar dat nest om te zien of het dan toch in gebruik was geweest. Geen sporen op de grond bij de stam van de boom. Ik keek omhoog en zag een imposante jonge vogel die zich over de rand van het nest naar beneden boog en mij recht aankeek. Wat zag ik? Dat vroeg hij zich ook af. Een jonge buizerd? Zo laat in het seizoen? Hebben die zo’n gele wassnavel? Ik had wel al jonge buizerds gezien en gehoord maar nooit van dit formaat. Er zat geen dons meer op maar een heus verenkleed, dit jong was de babyfase ver ontgroeid. Ik nam gepaste afstand van het nest, wilde de vogel niet verstoren, belde direct mijn collega roofvogelaar maar die was niet in de gelegenheid om te komen en de komende dagen ook niet. Ik vroeg of het misschien een wespendief kon zijn maar hij dacht van niet, gezien het verhaal, het nog missende nest, de buizerds met jongen die ik had zien vliegen, dit was misschien de jongste van het stel? Ik ging bijna elke dag kijken. Wat een imposant dier. Hij was stil. Te stil naar mijn zin. Hij leek me wel in een goede voedingstoestand. Iedere keer als ik kwam dan zat hij in hetzelfde hoekje van het grote nest. Ik ging op verschillende tijdstippen kijken. Geen enkele keer zag ik een ouder aan komen vliegen. Wat had hij een eindeloos geduld. Het mijne werd behoorlijk op de proef gesteld. Ik maakte me zorgen en vroeg bij Natuurmonumenten na of er iemand was met verstand van jonge buizerds. Ik deed mijn verhaal aan een boswachter die iets soortgelijks had meegemaakt met een jonge boomvalk die op het nest met een poot zat vast geketend in een stuk prikkeldraad. Er moest maar iemand komen om in de boom te klimmen, nestcontrole te doen en het onfortuinlijke dier eventueel te bevrijden. Ik kreeg het telefoonnummer van iemand met ervaring en die letterlijk de boom in kon. Die kwam. Hij constateerde onmiddellijk dat het hier een wespendief betrof. Dus toch! Kerngezond, dat zag hij zo. Helaas al te oud om nog te ringen. De kans dat hij dan voortijdig het nest zou verlaten, was te groot. Het stille gedrag, ook van ouders die ik niet te zien kreeg was verklaard door de soort.  Het was een bijzondere vondst. Vaak worden wespendieven broedlocaties toch slechts bij benadering gevonden door kenners die hele dagen in boomtoppen vertoeven om prooi aanvoerende ouders in een bepaalde richting te zien vliegen. En ik liep er zomaar tegenaan. Ik zag ‘mijn jong’ gaan bewegen op en van het nest, ik trof hem op een ochtend aan in de boom naast de nestboom. Een dag later schrok ik toen ik vanuit de verte een adulte, grote vogel op het nest zag, niet het chocoladebruine jong maar een lichter en duidelijk volwassen exemplaar die aan het eten was. Even was ik bang dat een havik zich tegoed deed aan de wespendief. Pas toen hij weg vloog, laag door het bos, zag ik dat het een adulte wespendief was. De volgende dag zag ik ‘mijn jong’ vertrekken, succesvol uitvliegen. De dagen erna zag en hoorde ik hem samen met een ouder over het nestgebied vliegen.

Twee maanden later stond ik in de heuvels aan de Spaanse kust waar honderden roofvogels zich verzamelden alvorens over te steken naar Gibraltar. De harde wind blies mij bijna omver, mijn verrekijker stil houden viel niet mee. Er vloog een wespendief tussen. Wat een machtig gezicht hem daar de oversteek te zien maken, om een stukje mee te maken van die enorme reis. Dank ‘mijn jong’ voor deze leerschool. Ik zal nooit meer twijfelen als ik een wespendief zie.

 

Aad van Gelswijk

Mei 2013

Soms duurt het wat langer

 

Maar na de lange winter is het dan eindelijk voorjaar geworden. De koude oostenwind, die in de winter periode weleens tot een Elfstedentocht leidde, gaf nu geen ijspret maar wel een late start van de lente. De wind maakte het vooral vervelend, met een gevoelstemperatuur…., nou noem maar op: Siberisch?  Ik verbaas me er altijd over dat de vogels zo goed tegen de kou kunnen. Even de veren opschudden en het kan vriezen dat het kraakt, het doet ze maar weinig. Maar wat een term is dat eigenlijk ‘gevoelstemperatuur’, ik krijg daar altijd warme gedachten bij.

De lente in het natuurbeleid is ook aangebroken al heeft het wel even geduurd. Na een periode van afbraak, die veel te lang heeft geduurd, zijn inmiddels de knoppen om. Ik verwacht een mooie zomer. Er is weer extra aandacht voor de natuur en ook wat extra geld. Provincie Brabant heeft al een aardige duit in de zak gedaan door meer dan twintig miljoen euro uit die extra middelen te claimen. Ze gaan daar mooie dingen van doen, ik verwacht ook in onze regio.

Wat ook lang duurde is de droogte. Daar hebben vogels wel veel last van, grutto, kievit en andere wormenzoekers kunnen niet bij het voedsel en moeten uitwijken naar de uiterwaarden of andere gebieden. Hierdoor zijn ze maar laat aangekomen in onze natuurgebieden. Maar nu ze er weer zijn is de achterstand snel ingelopen.

Het uitrijden van de stal mest was wel op tijd!?  Op de bevroren gronden werd de mest geïnjecteerd, wat natuurlijk niet lukte, maar er werd wel uitgereden, met een enorme stank tot gevolg. Dit went nooit en wordt voorlopig ook niet beter. Wanneer worden die mestfabrieken nu eens verplicht en zijn we van dat dumpen af? Zal het wat dat betreft nog ooit zomer worden?

Om maar niet te somber te eindigen:  ik was de gierlucht wat ontvlucht en maakte een avondrondje langs het Belvertsven (Kampina), het was al schemer en de spreeuwen vlogen in enorme groepen door de lucht naar de slaapplaats. Ineens een sperwer, alles in paniek, ook de twee waterrallen die daarna gillend hun plaats bekend maakte. Het maakte mijn dag weer helemaal goed.

 

Aad van Gelswijk

Juni 2012

Vakantietijd en verkiezingen

 

Ik zit met de vraag of vogels ook met vakantie gaan. Daarbij vraag ik me ook af of ze er wel behoefte aan hebben om op vakantie te gaan en als ze op vakantie gaan of ze dan dezelfde stress ondervinden zoals die wij ervaren?

Dat vogels behoefte aan vakantie hebben lijkt me wel. Want het is elk jaar weer een ‘beren’ klus om in voorjaar één of meer legsels groot te brengen, te minste als je er aan toe komt, want een vrouwtje verschalken is op zich ook al een hele bezigheid. Ik zie dit elk voorjaar weer aan de gevechten bij de merels in mijn tuin. Sommige vogels hebben meer legsels en dan is het helemaal een drukte met een berg stress. En als je dan dat kroost groot heb gebracht, moet je ze vervolgens weer uit je territorium verjagen anders vreten ze je wurmen op of zitten achter je vrouwtje aan. Dan komt het: als je als vogel dan eenmaal zo ver bent, dat je kan gaan rusten, zit je in de rui, een soort jaarlijkse overgang op basis van je hormonen, en hoewel ik geen ervaringsdeskundige ben, is dat geen pretje.

Is het na de rui dan tijd voor vakantie? Lijkt me wel. Dan is er de tijd om er echt van te genieten, het zijn dan nog lange dagen en er is geen verplichting om bijvoorbeeld de Tour bij te houden of tot laat in de avond de medailles van de Olympische Spelen te tellen. Hele dagen genieten is het dan. Ze gaan niet op vakantie ze hèbben gewoon vakantie, lijkt mij.

Vakantie gaan, zit er dus niet in of je moet de trekvogels bezien die elk jaar de winter doorbrengen in warmere oorden. Dat lijkt dan op een ontspannen tripje naar het zuiden, maar het is een soort overlevingstour om de barre winters te ontvluchten en daar kennen wij mensen ook wel wat van.

Waar vogels zich niet mee bezighouden, zijn verkiezingen. Dus moeten wij dat doen om hun belangen te behartigen. Als je dit leest staan de verkiezingen net voor de deur.

Welke partij zou je kiezen als je vogel was? Een Partij voor de Vogels is er niet, al doet het logo van de PVV daar wel aan denken, maar schijn bedriegt. Ik heb zelden een groter confrontatie mee gemaakt tussen de PVV en de Partij voor de Dieren, ze vechten elkaar de tent uit. Een partij die het opneemt voor de natuur (geen ‘boerennatuur’ want daar valt niets te halen) is voor een vogel van groot belang. Meer ruigte in het gebied betekent meer voedsel en minder spuiten is voor iedereen beter. Maar ook een partij die aandacht heeft voor problemen die vogels op trek ondervinden, is van groot belang. Dit betekent dus een partij die zich niet afkeert van Europees denken maar juist hier de waarde van inziet. Daar hebben de vogels, onder weg naar het zuiden, ook wat aan.

Als je nu net terug bent van vakantie en uitgerust overdenkt waarop je moet stemmen is dit een overweging.

 

Aad van Gelswijk

Juni 2011

Hoe beleven we de natuur?

In deze tijd van bezuinigingen komt de natuur er maar bekaaid af. Zowel het rijk, als de provincie en de gemeenten hebben de prioriteiten verlegd en hebben weinig tot geen geld meer over voor de natuur. Geen geld voor de natuur in het algemeen, en al helemaal niet meer voor het beheer ervan. Dit is redelijk frustrerend voor de natuurbeschermingsinstanties die daarmee een bron van onkostenvergoeding kwijt zijn. Ik heb dit bewust geen bron ‘inkomsten’ genoemd, want dat is het niet. De overheid heeft de natuur bij de ‘Landschappen’ en bv Natuurmonumenten in handen gegeven om er voor te zorgen dat het beheer en het behoud bij hen goed is geregeld. De overheden geven daarvoor geld, wat ze anders zelf kwijt zouden zijn, bij eigen beheer. Door nu de hand op de knip te houden speelt men m.i. vals spel! Wettelijk zijn de natuurbeschermers verplicht om de natuur in stand te houden, alleen men heeft er even geen geld voor over. Het is opvallend stil aan de zijde van de NB-organisaties.

Goed, hoe beleven we de natuur? 

Een boer leeft volgens hem in de ‘natuur’, dwz tussen de koeien, de varkens en vul maar in. Dit is zijn natuurbeleving, hij krijgt de geur en ziektes er gratis bij. Bij de wetenschapper en ‘natuur freak’ kan de natuurbeleving niet zonder een trits aan plantjes en beestje in het veld, anders is het hem te oppervlakkig. De mountainbiker, crossmotor, de ruiter etc beleven de natuur op een heel andere manier. De natuur is voor hen het decor en kwaliteit wordt afgemeten aan aspecten als ruigte, niveauverschillen, het aantal paden en mate van belemmering vanuit de beheer- en behoudsdoelstelling.

En wij? Hoe beleven wij de natuur. Is het aantal weidevogels bepalend of het aantal verschillende orchideeën? Het is moeilijk aan te geven wat we belangrijk vinden, nog moeilijker is het om te bepalen wat de kwaliteit van de natuur is. Recent heeft een aantal wetenschappers aangegeven dat de biodiversiteit nog veel meer wordt bepaald door het aantal verschillende soorten dat er in voorkomt, dan voorheen werd aangenomen. De kwaliteit van de natuur wordt klaarblijkelijk toch wetenschappelijk bepaald. Ik denk dat we met een dergelijke wetenschappelijke benadering niet op de goede weg zijn. Het aantal Nederlanders dat zijn stemgedrag laat leiden door de wetenschappelijk onderbouwde kwaliteit van de natuur is niet groot. Ik heb Kamerleden horen zeggen: het speelkwartiertje van de ecologen is voorbij....

De benadering van de kwaliteit van de natuur op basis van de intrinsieke waarde is heel belangrijk, maar voor de doorsnee gebruiker niet te snappen. We zullen het veel meer moeten zoeken in de ‘kwaliteit van de leefomgeving’ waarbij de natuur een vorm van randvoorwaarde is voor ons bestaan. Deze natuur moet dan wel binnen het bereik blijven van de gewone mens dus dicht bij de stadsomgeving. Ik ben me meer en meer bewust dat natuur in en om de stad van wezenlijk belang is voor het behoud van hooggekwalificeerde natuur op enige afstand (waar borden staan en het verboden is om er van te genieten). Wie zij er ook alweer dat natuur een linkse hobby is ???

 

 

 

Aad van Gelswijk

Maart 2011

Nooit te oud om te leren....

 

In het verleden zijn we vaak met vrienden op pad gegaan. De gemeenschappelijke noemer was het wandelen in de bergen. In Spanje naar de Picos, of naar de Franse Alpen in de Queyras of Écrins, maar ook in de bergen van Noorwegen zijn we samen op getrokken. Het waren vaak relatief lange wandelingen vaak van 7 tot 8 uur totaal. Tijdens de middagpauze probeerden we wel alvast twee derde van de wandeling te hebben gehad, en dat lukt doorgaan ook. Niet altijd want ik wil nog wel eens verdwalen. Het was altijd weer een belevenis omdat er in de bergen zoveel te zien is, je kan bij elke bocht weer vol verwondering iets speciaals tegenkomen. Mooie rotsformaties, vergezichten, maar ook gemzen en steenbokken, vale gieren of een slechtvalk. Op het pad kom je van alles tegen zoals slakken, oliekevers, dikkopjes in een plasje, holen van muizen en bergmarmotten (die zo mooi kunnen fluiten) en de prachtige bergflora natuurlijk. 

We vertokken niet al te vroeg zo rond half negen (het is tenslotte vakantie) en waren net voor de borrel weer terug. De vakantie gasten op de camping zagen ons altijd wat meewarig aan als we terug kwamen, maar dat gold ook altijd omgekeerd. De hele dag in die zomerse hitte als een barbecueworstje je lijf liggen draaien is voor ons

niet weggelegd. Onze vakantievrienden wilde ook altijd weten welke planten er onderweg te zien zijn en welke vogels er rond vliegen, en ik deelde mijn kennis altijd met enthousiasme, echter ik kon niet merken dat het een beetje beklijfde. Een raaf bleef altijd een kraai en dat er naast kauwen ook Alpenkauwen voor kunnen komen, was toch elke keer weer een verassing. Overigens zijn die Alpenkauwen toch wel bijzondere beestjes, net merels maar dan een slag groter en heel sociaal, gezellig en speels. Iedereen die in de bergen heeft gewandeld kent ze wel. Nu onze vrienden meer tijd krijgen en het pensioen in beeld komt valt me op dat ze er zelf ook meer op uit trekken. Er komen nu ook verhalen dat ze interessante vogels hebben gezien, ‘toevallige gasten’ en ‘doortrekkers’ en met naam en toenaam. Het blijkt ook dat ze beide een ‘echte’ verrekijker hebben gekocht in plaats van die toneelkijker waar ze eerder mee rond liepen. De verwondering van het zelf ontdekken is nu ook bij hen geboren. Laatst waren we met hen op pad in een klein natuurgebiedje dat ze inmiddels goed kennen en nu merk ik dat ze plots wel weten wat er zit. Die vogels die ik altijd moeiteloos op naam bracht (ik zat er weleens naast maar wat deert dat?) daar wordt nu toch voorzichtig een vraag teken bij gezet… ik moet echt op gaan oppassen.

Er valt gelukkig nog veel te leren en te verwonderen.

 

 

 

Aad van Gelswijk

Oktober 2010

Natuur en economie?

 

In de periode dat Gerrit Braks minister van Landbouw was (zo rond 1985) is het natuurbeleid weg gehaald bij het departement van OC&W en onder het ministerie van Landbouw geplaatst. Een actie die vele natuurbeschermers maar moeilijk konden verteren. Met het nieuwe kabinet is het natuurbeleid opnieuw verdeeld. Het nationale beleid zit nu onder het nieuwe ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, en een deel van het beleid wordt gedecentraliseerd naar de provincie. Het natuurbeleid zit nu dus bij economie en het overige is naar de provincies. Is dit erg?

Als je afgaat op de commotie die nu vanuit de Natuurbescherming in krant en tijdschriften leest, zou je denken van wel. Er zijn ineens grote advertenties in de kranten, petities via de mail en er komen commentaren van meerdere Provinciale Staten onze kant op.

Wat me opvalt, is dat zowel in de tijd van Braks, als nu, de natuurbescherming in het verweer komt als de pap gestort is. Dit geldt overigens ook voor de provincies die dikke krokodillentranen huilen nu het rijk de geldkraan dicht draait. Waarom zijn er geen soortgelijke acties gevoerd tijdens de formatie, vraag ik me dan af, er was tijd genoeg voor.

Maar goed, de vraag blijft of het nu erg is dat het natuurbeleid onder Economische Zaken zit. Ik denk het niet, maar het kan nog meerdere kanten uit.

Positief is dat de beleidsambtenaren die altijd al met een economische bril naar ontwikkelingen kijken nu ook oog hebben voor de economische kanten van de natuur. Ik heb altijd al gevonden dat deze sterk onder belicht is. De waarde van 

natuur is niet eenvoudig in geld uit te drukken, maar dat is nog iets anders dan het stelselmatig in de hoek te drukken van ‘liefde geld – oud papier’, of in de hoek van het noodzakelijk kwaad. Nu het bij Economische zaken zit kan dit wel eens anders worden. Ik hoop het wel.

De ander kant is de verdeeldheid. Een belangrijk deel van natuurontwikkeling, daar

waar het gaat om de verbindingszones in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), wordt bij de provincies gelegd. Als ze er geld voor over hebben komt het wel goed. Besteden ze het geld liever aan andere zaken dan komt het niet goed. Een deel van het nationaal natuurbeleid wordt dus overgelaten aan de willekeur van twaalf provincies. Hoe dit uit pakt is de vraag.  De eerste reactie van de provincie Flevoland is positief, maar daar had het rijk al 90% van de investeringen gedaan en staat het belang van de ontwikkeling van de grote stad Almere mede op spel. Dan wil je wel.

Als iedereen de buikriem wat moet aanhalen…. Is een vaak gehoord argument. Ik ben het daar niet mee eens. Het gaat bij natuur om primaire levensbehoefte van de mens en er zijn nog zoveel andere posten  waar geld te verdienen is, zoals het tegengaan van de enorme verspilling van levensmiddelen (meer dan 65% van de spullen die in de schappen van supermarken liggen wordt vernietigd). Laten we daar eerst maar eens wat aan doen en de middelen voor natuur niet verminderen maar vermeerderen, zeker zolang het aantal soorten in Nederland nog in dramatische staat verkeert. We gaan roerige tijden tegemoet.

 

Aad van Gelswijk

Maart 2010

De huiskraai. (Corvus splendens)

 

Ik wist in eerste instantie niet wat ik las toen ik het artikel over de Huiskraai in de Spits (gratis dagblad) las. Wat een stumpers daar bij de redactie dacht ik nog, om de kraai en de kauw met elkaar te verwisselen. Het is toch nog lang geen 1 april.

Maar goed het stond er wel en even later ging bij mij een lampje branden, nadat ik het artikel beter doornam. Jammer dat ik het niet heb uitgeknipt.

Nu verschijnt het onderwerp op de site van Vroege Vogels en blijkt SOVON al eerder een rapport over de huiskraai te hebben opgesteld: De huiskraai komt van oorsprong uit Azië, maar heeft zich – als verstekeling op schepen - inmiddels al naar Afrika en het Midden-Oosten verspreid. Conclusie weg met dat beest.  

De reacties op dit artikel zijn voorspelbaar: onze kraaien eerst!, dus weg met dat beest  en laat Wilders dit maar opknappen…tot  “wat doet zo’n beestje nu voor kwaad??,laat toch zitten!

Ik heb de mogelijkheid om ook de lezing van SOVON intern na te gaan en dat heb ik maar eens gedaan. SOVON geeft aan dat in vergelijking met andere exoten het verstandig is om de invasie zo vroeg mogelijk tegen te gaan om verdringen te voorkomen. Een aannemelijk verhaal zie de roze stekelstaart en de nijlgans.

Wat me opvalt, is hoe makkelijk mensen negatief reageren  zonder de achtergronden te kennen. De redenatie komt dan volgens mij uit frustratie met andere ogenschijnlijk 

vergelijkbare situaties. En het oordeel is dan snel gegeven. Ik heb veel reacties gelezen, maar niemand stelt daar een vraag, het zijn alleen maar stellingen. Gelukkig zijn de reacties van beide zijden, zowel van weg er mee als laat ze toch zitten. Maar toch, alles ongenuanceerd.

De hele discussie over exoten woedt al jaren. De bosbouw heeft hier ook veel mee te maken gehad. Alles wat Amerikaans was moest het bos uit, met de bospest (Amerikaanse vogelkers) als eerste.

Ik kan me daar wel in vinden, de dominantie van deze soorten is onvoorstelbaar. Maar toen het er om ging om ook de grove den (pinus sylvestrus) uit Nederland te verwijderen omdat deze na de laatste ijstijd (10.000 jaar geleden) zich zelf niet had weten stand te houden, dus exoot is, ging het mij echt te ver.

Kortom; bij mij ligt de grens bij dominantie. De halsband parkiet (Psittacula krameri) mag van mij, de nijlgans weer niet. Dit is redelijk arbitrair, maar het is te minste gestoeld op een te controleren overweging.

En de huiskraai? Mooie vogel, dat zeker. Maar is het nu zo, dat hij schade doet aan landbouwproducten of is het een plaag ecologische gezien, te dominant dus? Als hierop een antwoord is, geef ik mijn mening.

 

Aad van Gelswijk

Maart 2009

Wat is natuur nog in dit land….?*

 

Deze vraag hoor je nog al eens van politici en beleidsmakers, die daar mee willen aantonen dat ze hun klassiekers kennen. Wat is Natuur nog in dit land, een stukje bos ter grootte van een krant.

Maar de vraag, hoe het is gesteld met de natuur is zeker nu nog interessant. De vraag gaat zowel over de kwantiteit, bv oppervlakte aan natuur als wel om de kwaliteit van de natuur.

Natuur wordt vaak gelijk gesteld met milieu, maar dat is onterechte vergelijking. Als het met het milieu slecht gaat dan merken we dat als mens direct en is het ernstig, dan worden er oplossingen gezocht. Als het met de natuur slechter gaat, dan merken wij dat als mensen niet zo direct. Het probleem wordt niet gevoeld en herkend. De dieren en planten die in deze natuur moet overleven merken dat deze te meer. Het lijkt wel of dat de mens meer onderdeel uitmaakt van het milieu dan van de natuur.

Waarom is die natuur wel belangrijk? Om daar wat inzicht in te geven beperk ik me nu even tot de kwaliteit. Een toets voor kwaliteit is biodiversiteit. Ik gebruik deze term met opzet omdat er veel misverstanden over zijn. Biodiversiteit zegt iets over het aantal soorten, niet over aantallen. En hoe deze soorten er voor staan. Deze soortenrijkdom is een graatmeter voor de kwaliteit en geeft tevens de ontwikkeling van de veelzijdigheid van de natuur aan. Door de evolutie is het aantal soorten zeer groot en in een goed ontwikkeld natuurlijk systeem is de biodiversiteit dus groot, daar zijn veel soorten aanwezig, die elk een stukje van de natuur benutten en invullen voor hun voorbestaan.

Het Natuurplanbureau, een organisatie dat in opdracht van de overheid bij regelmaat de thermometer in de natuur steekt, geeft al jaren aan dat de natuur verarmd en dat de soortenrijkdom in hoogtempo afneemt.

“Wat is er erg aan als dat wat minder wordt” is dan de vraag. Kan het dan niet een beetje minder met die soorten rijkdom. Wat maakt het nu uit of er 1000 verschillende soorten snuitkevers in Nederland zijn, of 1001?           

Dit is een wat lastig te motiveren vraagstuk, zeker als je het getalsmatig benadert, die ene soort snuitkever is de andere niet, maar ze lijken veel op elkaar en je mist toch die ene soort niet!? Ja, dat is wel erg. Ik zal dat proberen toe te lichten met 

voorbeelden.

Bij rijkdom aan diversiteit gaat het om de bandbreedte van de verschillende populaties, een lastig te hanteren begrip. Binnen de groep snuitkevers zijn er groepen die massaal voorkomen. Dat is de middenmoot. Aan beide zijde van die middenmoot heb je groepen die in veel minder grote aantallen voorkomen tot groepen met slechts een enkel exemplaar. Dit spreekt nog niet zo tot de verbeelding. Het volgende misschien wel.

Ook mensen worden in groepen ingedeeld en als je wat afwijkt van de gemiddelde norm dan word je, of opgesloten, of je bent geniaal en word je bejubeld. De bandbreedte is groot. Aan de ene kant (bv links van de lijn) heb je de groepen geniale, denk daarbij aan de schilder Van Gogh, de denker Albert Einsteijn of de componisten zoals Bach en Beethoven. Deze personen rekken door hun prestaties de lijn aan de linkerkant ver op. In het midden zit de grootste meute, de groep van brave burgers die 90% van de populatie vult. Aan de rechterkant is er de groep van de extremen, bv die met aparte politieke ideeën zich afscheiden van de kern of vanuit ver doorgevoerde idealen zich buiten de middenmoot plaatsen, maar hier zitten ook de daklozen bij en de mensen waar compleet een steekje aan los is. In een goed ontwikkelde maatschappij is er ruimte voor beide kanten. De kwaliteit van de maatschappij verarmt als de bandbreedte vermalt. Je krijgt dan ‘vertrossing’ en verarming. Let wel, ik bedoel hierbij dat de bandbreedte vermalt door het afromen van buitenranden. Het betekent aan de ene zijde dat je die ‘idioten’ kwijt bent, maar aan de andere kant raak je ook de genialen kwijt. Overigens hoe geniaal was van Gogh op de laatste dagen van zijn leven, was hij al niet een beetje gek??

Hiermee wil ik zeggen dat hoe groter de bandbreedte hoe meer diversiteit er is en hoe meer geschakeerd de maatschappij is waarin we leven. Bij de natuur is dan niet anders. Het gaat er bij het verlies om een soort niet om de getalsmatigheid dat je een soort kwijt bent, maar om het effect dit heeft op de kwaliteit van de leefomgeving. Bij verlies van een soort gaat het altijd om een soort die aan de buitenzijde van de bandbreedte verkeert. Laten we proberen met z’n allen de bandbreedte zo groot mogelijk te houden. Het maakt de natuur bijzonder en in termen “wat is natuur nog in Nederland?” De moeite waard om te beschermen.

 

*Veel mensen doen wat schamper over de Nederlandse natuur. Zoals dichter J.C. Bloem toen hij Amsterdam en de Dapperstraat bejubelde. ’Wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant. Een heuvel met wat villaatjes ertegen.’